Supermarkt

Het was een beetje druk de laatste tijd en zoals vaker was vooral de Vrolijke Sloper de dupe. Even een oppasje hier, een omaatje daar en hop: moeders kon weer een paar uurtjes werken. Dat wreekt zich natuurlijk.

Nog één jaar en drie maanden, zei ik laatst tegen Munne Mins toen onze Sloper alle cijfertjes op de Rabobank Scanner met een zwarte marker had bewerkt. Nog één jaar en drie maanden en dan mag ze naar school.
Het is niet lief en niet aardig, maar wij wisten van tevoren ook niet dat de derde het meest van ons zou vergen. En eigenlijk is het best een schattig…eh…monster. Daarom en ook vanwege wat drukkend schuldgevoel dacht ik: laten we eens samen wat gaan doen. Naar de supermarkt bijvoorbeeld.

Ik zag het al helemaal voor me: zij dat kleine karretje, ik er vrolijk naast. Kaasjes proeven, rondhangen bij de vleesafdeling om een worstje af te troggelen en daarnaast huppelend en giechelend door alle gangen en op knoppen drukken voor bewegende konijnen. Leek me top.

De Vrolijke Sloper vond het óók een goed idee. Met haar kleine beentjes sprintte ze naar het kinderwinkelwagentje en vloog de winkel in. Daardoor kreeg ik dat poortje tegen mijn maag, maar ach dat mocht de pret niet drukken.
“Soepballen!”, riep ze enthousiast uit. Het wagentje voor zich uit duwend, rende ze naar de galiameloenen, pakte er één vast en smeet deze de winkel door. “Leuk!”, zei ze ook nog. Snel op naar de aardappelen, dacht ik, maar zij had dat houten kistje gezien waar fruit in ligt voor winkelende kinderen. En ja, ze had trek, dus vier appels, twee mandarijnen en vier bananen vlogen het winkelwagentje in. Nee, zei ik, dat is niet de bedoeling. Ze was even stil, terwijl ze nadacht over een weerwoord en gilde toen vervolgens de hele winkel bij elkaar. Achter me hoorde ik: “Zoooo.”

Tijd om vaart te maken dus. Met de moed der wanhoop – en nog steeds vastbesloten om iets te maken van deze moeder-kind activiteit – wees ik haar vrolijk de weg naar de broccoli en de slagerij. Het worstje kreeg ze, stak ze in haar mond, haalde het eruit en zwierde het toen met een gierende lach de winkel in, waar het landde op een geit. Een nepgeit overigens.
Terwijl ik me haastte om het van de geit af te halen, stond zij alweer ergens anders alle doosjes uit het rek te gooien. Kortom: het zweet liep van het voorhoofd zo de oksels en de bilnaad in. Snel rekende ik af, trok de Sloper uit dat bootje en baande met haar over mijn schouder, richting auto. Het kon gewoon niet erger worden.

“Aha!,” lachte de moeder die ik ken van school, bij de uitgang: “ik dacht al dat ik de Sloper hoorde gillen.” Ik zuchtte en herhaalde mijn mantra nog maar een keer: nog een jaar, 2 maanden en 30 dagen.

Groetjes Kleine Ven

Foto's:


0