Slavernij vanuit optiek slavenhandelaar

ROSMALEN – Het was druk, afgelopen donderdagavond bij Boekhandel De Omslag. John Meilink (1961) kwam daar zijn boek presenteren: Kroesvee. Naast zijn werk in de ICT, werkte hij zes jaar aan zijn debuut, een historische roman uit de tijd van de West-Indische Compagnie.

Door Sophie Fleur Verbiesen

De West-Indische Compagnie heerst over de Afrikaanse Goudkust. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan schreeuwen plantagehouders om arbeidskrachten, maar het aanbod is schaars. Afrikaanse koninkrijken en Europese compagnieën handelen volgens oude verdragen, die zorgvuldig worden nagekomen. Als in november 1687 een dorpje in het Denkyira-rijk door illegale slavenhalers wordt leeggeplukt, komen er problemen. Hollanders, Zeeuwen, Duitsers en andere Europeanen vechten om de buit, terwijl de inheemse stammen proberen hun invloed te vergroten en alles doen om moderne wapens in handen te krijgen. Het resultaat: een moeras van intriges, corruptie en geweld. Blank en zwart leeft wantrouwend naast elkaar, verbonden door hebzucht en geteisterd door hitte, ziekte en armoede. Aldemar Burghoutsz, schipper van de Griffioen, probeert zijn ruimen vol te krijgen. Slaven brengen geld op. Ze zijn vee. Kroesvee.
Het is de beschrijving, een voorzichtige beschrijving van het verhaal, dat achterop het boek staat. Want de historische roman van Meilink gaat over het slavernijverleden van onder meer de Nederlanders, maar dan wel met nieuwe invalshoeken.
Als Margot Osse van de boekhandel Meilink aankondigt, wordt er onder de toehoorders gemompeld: “Ik heb vernomen dat het een goed boek moet zijn.” Ze gaan er eens “goed voor zitten.” Meilink komt oorspronkelijk uit Amsterdam en is voor de liefde naar Rosmalen gekomen. Vandaar dat hij nu ook hier zijn boek presenteert.

De aanleiding voor deze historische roman stamt uit 2013, het jaar waarin de Zwarte Pieten-discussie ineens grotere vormen aannam. “Ik ergerde me aan de mythevorming over de slavernij. Het eenzijdige verhaal van de blanke slechteriken. Het is een beeld dat door films en boeken altijd opkomt: blanke slavenhandelaren die het Afrikaanse binnenland intrekken, mannen, vrouwen en kinderen ontvoeren en geboeid aan boord van een schip sturen. Want dat verhaal is gewoon niet waar.”
Kroesvee speelt daarom in de 17e eeuw. Een periode waarin de Hollanders (inwoners van het toenmalige gewest Holland – de overige provincies telden minder mee) gebieden bezetten in onder meer Zuid- en Noord-Amerika. Daar waren arbeidskrachten nodig (de inheemse bevolking werd bijna volledig uitgeroeid door ziektes die de blanken meenamen), dus ging men daarnaar op zoek in Afrika. Waarom juist daar, wordt duidelijk tijdens de lezing van Meilink.
Hij verhaalt over de geschiedenis van de Goudkust. Waar bevolkingsgroep De Akan (te vergelijken met de Germanen of de Kelten in Europa) erg machtig was. Ze hadden een eigen taal (het Twi), en hadden te maken met islamitische invloeden. Zij heersten over het Ghana-Rijk dat bestond tussen 800 en 1200 – overigens niet het huidige Ghana. Ze handelden in goud, maar ook in slaven.
In 1687, het jaar waarin het boek speelt, had een stam van De Akan (de Denkyira) de macht. In Elmina (aan de Goudkust) had de WIC de hoofdfactorij staan. Middels verdragen werd er handel gedreven tussen de Hollanders en de Denkyira, maar er waren ook handelsposten van Brandenburgers (uit het huidige Duitsland), Engelsen, Denen en een enkele Zweed.
Verdragen waren belangrijk. Hierdoor kon de handel plaatsvinden, maar was er ook andere hulp. De Hollanders hadden bijvoorbeeld niet veel soldaten in Afrika. Hun leger bestond uit Polen, Denen, Duitsers en Zweden, omdat de Hollanders uit het eigen geweest in het staatsleger moesten of als zeeman voeren. Daarnaast stierf één op de drie blanken, zo gauw ze op Afrikaanse bodem waren. Vaak door de Baarse ziekte, of de Bruine en Rode Loop. Ook was er nog zoiets als de plaatselijke worm. De spoeling was daarom dun. De Hollanderes kregen hulp van de Asafo’s, milities van Elmina. De voordelen daarvan: ze waren bestand tegen de Afrikaanse ziektes, ze zwoeren trouw aan de WIC en waren samen met 4000 man. Genoeg redenen om ze te vriend te houden dus.

Geschiedvervalsing

Niet alleen uit historisch oogpunt is Kroesvee interessant. Margot Osse: “Het is, ondanks alle informatie, heel goed leesbaar en fijn beschreven.” En voor velen vanuit een nieuw perspectief: de Afrikaanse slavenhandelaar. “Laat het duidelijk zijn,” legt Meilink uit, “ik ben tegen slavernij. Mijn punt is dat er een soort van geschiedvervalsing plaatsvindt. De zwarte slaven kwamen namelijk al ergens vandaan. Die handel werd georganiseerd door zwarte Afrikanen. Er was geen blanke die het binnenland introk om slaven te halen. Ze hadden er simpelweg niet eens de mensen voor.”
Hij vervolgt: “Ze zijn in Nederland bezig met een nieuwe canon over de geschiedenis. En ook hier staan weer onwaarheden over de slavernijperiode in. Het onderwerp is politiek beladen, maar er ontstaat zo ook wereldwijd een cultureel schuldgevoel. En het gekke is, veel Surinamers en Antillianen weten dit wel. Mijn schoonzoon is van Nigeriaanse afkomst en weet ook dat er Afrikaanse slavenhandelaren waren.”
Het gaat Meilink vooral om de feiten. En het is ook niet zo dat hij voor het bestaan van Zwarte Piet is. “Dat kan gewoon niet meer. Sta je daar met je buitenlandse schoonzoon in de supermarkt in december, terwijl er een Sinterklaas met Zwarte Pieten door de winkel loopt. Je schaamt je dood.”
Kroesvee is overigens het eerste deel uit een trilogie. Hierna volgt een boek over de Europese slaven en het derde deel verhaalt over de slavenhandel in Curacao.

Margot Osse en John Meilink tijdens de boekpresentatie van Kroesvee

Foto's:


0